Poëtisch Europa
Poëtisch Europa
Marcellinus van der Eng
Vertalingen en vocale composities van Europese dichtwerken door de eeuwen heen
George Gordon Byron: The Prison – een selectie uit The Prisoner of Chillon (1816)
The Prison
My hair is grey, but not with years,
Nor grew it white. In a single night,
As men's have grown from sudden fears:
My limbs are bow'd, though not with toil,
But rusted with a vile repose,
For they have been a dungeon's spoil,
And mine has been the fate of those
To whom the goodly earth and air
Are bann'd, and barr'd—forbidden fare;
And in each pillar there is a ring,
And in each ring there is a chain;
That iron is a cankering thing,
For in these limbs its teeth remain,
For all was blank, and bleak, and grey;
It was not night—it was not day;
It was not even the dungeon-light,
So hateful to my heavy sight,
And in each pillar there is a ring,
And in each ring there is a chain;
That iron is a cankering thing,
For in these limbs its teeth remain,
For years—I cannot count them o'er,
I lost their long and heavy score
When my last brother droop'd and died,
And I lay living by his side.
Blind, boundless, mute, motionless …
Het Gevang
Mijn haar is grijs, niet door
de tijd,
Noch werd het wit in enk'le nacht,
Zoals van schrik door angstigheid;
Mijn lijf is krom, niet van het werk,
Maar van verachtelijke rust,
't Werd door gevang tot prooi te sterk
Door 't zelfde noodlot uitgeblust
Voor wie het rijk van aard en lucht
Verbannen is — verboden zucht;
In elke zuil daar is een ring,
In elke ring daar is een slot;
Die ketting is een woek'rend ding,
Het vreet mijn lijf erdoor kapot.
Alles was leeg, en grijs, en naar;
Het was niet nacht — het was niet dag;
Zelfs het gevang was niet zo zwaar,
Zo haat'lijk was het wat ik
zag.
In elke zuil daar is een ring,
In elke ring daar is een slot;
Die ketting is een woek'rend ding,
Het vreet mijn lijf erdoor kapot.
De tel van jaren kwijtgeraakt,
Het loden tal, het lange tij,
Toen 't sterven mijn broer had genaakt
En levend lag ik aan zijn zij.
Blind, roerloos, stom, grenzenloos ...
Vertaling (09-05-2026)
Heinrich Heine: Harz – proloog van Die Harzreise (1824).
Auf die Berge will ich steigen
Schwarze Röcke, seidne
Strümpfe
Weiße, höfliche
Manschetten,
Sanfte Reden, Embrassieren
–
Ach, wenn sie nur Herzen
hätten!
Herzen in der Brust, und
Liebe,
Warme Liebe in dem Herzen
–
Ach, mich tötet ihr
Gesinge
Von erlognen
Liebesschmerzen.
Auf die Berge will ich
steigen,
Wo die frommen Hütten
stehen,
Wo die Brust sich frei
erschließet,
Und die freien Lüfte
wehen.
Auf die Berge will ich
steigen,
Wo die dunkeln Tannen
ragen,
Bäche rauschen, Vögel
singen,
Und die stolzen Wolken
jagen.
Lebet wohl, ihr glatten
Säle!
Glatte Herren, glatte
Frauen!
Auf die Berge will ich
steigen,
Lachend auf Euch niederschauen.
cover © J.N.H. Van Der Eng
'k Zal de bergen gaan beklimmen
Zwarte rokken, zijden kousen,
Witte keurige manchetten,
Zachte woorden, die verleiden –
Ach, geen hart, slechts etiquette.
Harten in hun lijf, en
liefde,
Warme liefde in hun harten –
Ik kom om van hun gezangen
Over liefde die hen tartte.
'k Zal de bergen gaan beklimmen,
Waar de hutten hutten bleven,
Waar gemoed zich kan bevrijden,
En de vrije luchten zweven.
'k Zal de bergen gaan
beklimmen,
Waar de donk're dennen grazen,
Beken stromen, vogels zingen
En de trotse wolken razen.
't Gaat u goed, u gladde zalen!
Gladde heren, gladde vrouwen!
'k Zal de bergen gaan beklimmen,
Lachend u te overschouwen.
Vertaling (02-05-2026)
Charles Baudelaire: Spleen IV – c. 1857
Spleen IV
Quand
le ciel bas et lourd pèse comme un couvercle
Sur l'esprit gémissant en proie aux longs ennuis,
Et que de l'horizon embrassant tout le cercle
II nous verse un jour noir plus triste que les nuits;
Quand
la terre est changée en un cachot humide,
Où l'Espérance, comme une chauve-souris,
S'en va battant les murs de son aile timide
Et se cognant la tête à des plafonds pourris;
Quand
la pluie étalant ses immenses traînées
D'une vaste prison imite les barreaux,
Et qu'un peuple muet d'infâmes araignées
Vient tendre ses filets au fond de nos cerveaux,
Des
cloches tout à coup sautent avec furie
Et lancent vers le ciel un affreux hurlement,
Ainsi que des esprits errants et sans patrie
Qui se mettent à geindre opiniâtrement.
— Et de longs corbillards, sans tambours ni
musique,
Défilent lentement dans mon âme; l'Espoir,
Vaincu, pleure, et l'Angoisse atroce, despotique,
Sur mon crâne incliné plante son drapeau noir.
Charles Baudelaire: Spleen IV – c. 1857
Vertaling: R.M. van der Eng (1979, 2026)
Spleen IV
Als de lucht laag en zwaar drukkend ligt als een deken
Op de zuchtende ziel aan verveling verpacht,
En als de horizon zijn gebied heeft bestreken
Dan ontwaart ons een dag triester nog dan de nacht;
Als de aarde een vochtig gevang is geworden,
Waar de Hoop als een vleermuis bevliegt en betast;
Het poreuze plafond dat haar kop al doorboorde
En het muursteen dat haar tere vleugels bekrast
Als de regen oneindig zijn stromen vertoont,
Imiterend de traliën lang van hun lijn
Als een stom spinnenvolk door verachting gehoond
Zijn netten komt webben in de put van ons brein,
Springen klokken opeens vol van woede uiteen
En werpen in de lucht een afgrijselijk gekrijs,
Zoals dwalende geesten vervreemd en alleen
Luid beginnen te kermen op hardnekkige wijs,
— Lange lijkwagens zonder muziek, tamboerijnen
Gaan als langzame stoet door mijn ziel rond; de Hoop,
Vertrapt, huilt, en de gruwelijke Doodsangst houdt schrijnend,
Met het zwart van zijn vaandel mijn schedel ten doop.
Jorge Manrique (c. 1440-1479)
Un selección de Coplas por la muerte de su padre (c. 1478).
Coplas por la Muerte
I
Recuerde el alma dormida,
avive el seso e despierte
contemplando
cómo se passa la vida,
cómo se viene la muerte
tan callando;
cuán presto se va el plazer,
cómo, después de acordado,
da dolor;
cómo, a nuestro parescer,
cualquiere tiempo passado
fue mejor.
XXXIX
"Tú que, por nuestra maldad,
tomaste forma servil
e baxo nombre;
tú, que a tu divinidad
juntaste cosa tan vil
como es el hombre; …"
II
Pues si vemos lo presente
cómo en un punto s'es ido
e acabado,
si juzgamos sabiamente,
daremos lo non venido
por passado.
Non se engañe nadi, no,
pensando que ha de durar
lo que espera
más que duró lo que vio,
pues que todo ha de passar
por tal manera.
XXXIX
"Tú que, por nuestra maldad,
tomaste forma servil
e baxo nombre;
tú, que a tu divinidad
juntaste cosa tan vil
como es el hombre; …"
I
Recuerde el alma dormida,
avive el seso e despierte
contemplando
cómo se passa la vida,
cómo se viene la muerte
tan callando; ...
I
Recuerde el alma dormida,
avive el seso e despierte
contemplando
cómo se passa la vida,
cómo se viene la muerte
tan callando;
cuán presto se va el plazer,
cómo, después de acordado,
da dolor;
cómo, a nuestro parescer,
cualquiere tiempo passado
fue mejor.
XXXIX
"Tú que, por nuestra maldad,
tomaste forma servil
e baxo nombre;
tú, que a tu divinidad
juntaste cosa tan vil
como es el hombre; …"
II
Pues si vemos lo presente
cómo en un punto s'es ido
e acabado,
si juzgamos sabiamente,
daremos lo non venido
por passado.
Non se engañe nadi, no,
pensando que ha de durar
lo que espera
más que duró lo que vio,
pues que todo ha de passar
por tal manera.
XXXIX
"Tú que, por nuestra maldad,
tomaste forma servil
e baxo nombre;
tú, que a tu divinidad
juntaste cosa tan vil
como es el hombre; …"
I
Recuerde el alma dormida,
avive el seso e despierte
contemplando
cómo se passa la vida,
cómo se viene la muerte
tan callando; ...
Jorge Manrique
Een selectie uit Verzen bij de dood van zijn vader (c. 1478).
I
Wordt wakker, de ziel ligt te dromen,
gebruik 't verstand om overtuigend
te verklaren
hoe 't leven gaat overkomen,
hoe dan de dood het neerbuigend
komt bedaren;
hoe snel het plezier overgaat,
hoe daarvan, na enigheden,
pijn overblijft;
hoe het ons toeschijnt, vroeg of laat,
dat willekeurig verleden
beter beklijft.
XXXIX
"Jij nam, voor al onze nijd,
onderdanigheid aan
en laagste naam;
jij nam jouw goddelijkheid
mee in een vuil voortbestaan
van een menselijk lichaam…"
II
Als je goed kijkt naar het heden
hoe 't tot een punt is gekomen
en verdwenen,
zie jezelf met eigen rede,
de tijd ons nog niet ontnomen
is al henen.
Ied'reen weet heel goed dat de dag,
niet later dan hij had gehoopt
zal verrijzen
en niet langer dan hij al zag,
alles loopt zoals het toch loopt
op g'lijke wijze.
XXXIX
"Jij nam, voor al onze nijd,
onderdanigheid aan
en laagste naam;
jij nam jouw goddelijkheid
mee in een vuil voortbestaan
van een menselijk lichaam…"
I
Wordt wakker, de ziel ligt te dromen,
Gebruik 't verstand om overtuigend
Te verklaren
Hoe 't leven gaat overkomen,
Hoe dan de dood het neerbuigend
Komt bedaren; ...
Konstantin Bal'mont: Regen (1905)
Константин Бальмонт: Дождь
Дождь
В углу шуршали мыши,
Весь дом застыл во сне.
Шел дождь, и капли с крыши
Стекали по стене.
Шел дождь, ленивый, вялый,
И маятник стучал.
И я душой усталой
Себя не различал.
Я слился с этой сонной
Тяжелой тишиной.
Забытый, обделенный,
Я весь был тьмой ночной.
А бодрый, как могильщик,
Во мне тревожа мрак,
В стене жучок-точильщик
Твердил: «Тик-так. Тик-так».
Равняя звуки точкам,
Началу всех начал,
Он тонким молоточком
Стучал, стучал, стучал.
И атомы напева,
Сплетаясь в тишине,
Спокойно и без гнева
«Умри» твердили мне.
И мертвый, бездыханный,
Как труп задутых свеч,
Я слушал в скорби странной
Вещательную речь.
И тише кто-то, тише,
Шептался обо мне
И капли с темной крыши
Стекали по стене.
Konstantin Bal'mont
Regen
Geritsel van wat muizen,
Verstilde in een droom.
Het regende langs huizen
In druppels tot een stroom.
Het regende vertragend,
Het tikken van het uur.
Mijn geest ging vaag verdragend
Versuft dwars door de muur.
Ik drong de stilte binnen
Die zwaar was als de nacht.
Aan mij werd, buiten zinnen,
Het duister toegebracht
En sterk, als gravengraver
Die muur en rust doorbrak,
Voltrok een kever braver
Herhaald: 'Tiktak, tiktak'.
Getik en klanken bonden,
't Begin van het begin.
Hij klopte opgewonden
Erin, erin, erin.
Atomen van gezangen,
Stil strengelend ineen,
Herhaalden met verlangen:
'Kom om' zacht door me heen.
En ademloos, als dode,
Door uitgedoofde vlam,
Zag ik dat ongenode
voorspelling tot me kwam.
En zachter almaar zachter
Sprak iemand in mijn droom
Het regende verdachter
In druppels tot een stroom.
cover © J.N.H. Van Der Eng
Release 29 mei
Sonnet XXXV uit Canzoniere van Francesco Petrarca (1337)
XXXV
Solo
et pensoso i più deserti campi
vo
mesurando a passi tardi et lenti,
et
gli occhi porto per fuggire intenti
ove
vestigio human l'arena stampi.
Altro
schermo non trovo che mi scampi
dal
manifesto accorger de le genti,
perché
negli atti d'alegrezza spenti
di
fuor si legge com'io dentro avampi:
sì
ch'io mi credo omai che monti et piagge
et
fiumi et selve sappian di che tempre
sia
la mia vita, ch'è celata altrui.
Ma
pur sì aspre vie né sì selvagge
cercar
non so ch'Amor non venga sempre
ragionando con meco, et io co·llui.
Sonnet XXXV
Alleen
en denkend door verlaten streken
loop ik met afgetelde, trage stappen,
mijn ogen laat ik op hun vlucht ontsnappen
aan mensensporen die het zand doorbreken.
Geen ander scherm dat mij redt kan me weren
tegen het wakend oog van al die mensen;
want uitgedoofde vreugd laat zonder grenzen
van buiten zien hoe branden mij verteren:
zozeer, dat ik denk dat rivier en bergen
en bos en heuvels weten van mijn leven
het wezen dat geen ander kan betreden.
Maar toch vind ik geen wegen die zó tergen
dat Liefde zich daarlangs niet zal begeven
Pratend met mij – en ik met hem – met rede.
Vertaling (14-05-2026)
