De Grote Luwte – een sage
De Grote Luwte
– een sage –
Verschijnt in het najaar 2026
In het kort over De Grote Luwte:
In de Grachtengordel van Amsterdam raakt de verteller verstrikt in een verborgen wereld van geheime genootschappen, verboden rituelen en eeuwenoude verbonden. In het spoor van Jordy, een zwijgzame jongen die meer moed bezit dan iemand vermoedt, komt hij tegenover machten te staan die hun oorsprong vinden in het Europawoud en het Amsterdam van 1637.
De Noorder Zonen, de Woudkrijgers, het Corps Inferni, de Duivel en Satan bewegen zich tussen werkelijkheid en overlevering. De verteller laat de kluizenaar in hem achter zich om als heer Amstel De Grote Luwte te doorgronden in gangenstelsels en zalen van het ondergrondse.
Na de autofictieve roman Meesterslaaf plaatst Marcellinus van der Eng dezelfde thema's van macht, onderwerping, eenzaamheid en verbondenheid in een hedendaagse sage: nuchter en beschouwend verteld, nietsontziend in haar mythen en overrompelende einde.

Kaart: gemeente Amsterdam, 2025 — CC BY Kadaster
Drie meer beschouwelijkere alinea's uit De Grote Luwte
(...)
Ik wist nu dat ik Jordy niet als kind kon behandelen, en hoe behandel je eigenlijk een kind? Ik had die ervaring niet. Het leek alsof Jordy iets wilde zeggen, maar dat was van korte duur. Hij trok me aan de hand mee en zei: 'Verder.' We liepen verder in de richting van de brug bij het Amstel Hotel. Ik dacht: waarom nu al deze heksenverbranding? Kan het niet wachten? Het eigenaardigste doodt het eigenaardige. Een soort doodt zijn eigen soort. De mens zet zich af tegen zijn soort alsof hij zich schaamt voor zichzelf als mens. Alsof hij niet wil laten blijken dat hij ook zo is, doodt hij degenen die ook zo zijn; hij doodt zichzelf. Niet wetend waarom vlucht hij in een gemeenschap, zoekt hij houvast, zoals marcheren houvast biedt; je stampt op de aarde, je hoort het bonken van je laarzen en alleen dat al is de bevestiging van je bestaan. Dat ritme geeft houvast, en wordt het ritme verstoord door deze of gene, dan is er maar één oplossing: uitschakelen. Iedereen weet dat, iedereen grijpt naar een nieuw houvast, naar de vorm, het ritme, het lied dat door iedereen gezongen kan worden in een groot koor op de maat van de laarzen, op de maat van de gemeenschap, op de maat van de verbondenheid. En hoe normatiever de gemeenschap wordt, hoe groter haar abnormaliteiten zullen zijn, want een mens is geen robot, niemand, dus eenmaal in het keurslijf van de norm groeit de verleiding om bij tijden abnormaler te zijn, maar wel als groep; een groep geeft toestemming voor de vervreemding. Wij raken elkaar niet meer aan, maar Jordy zit vol striemen en wurgplekken in zijn nek. Is dat niet het gevolg?
(...)
Ik keek naar Tars en zag niet meer in hem de liefde die ik ooit zag, ze was uitgedoofd door te veel beïnvloeding, ze had zich zelf afgeleid enkel om zichzelf niet meer te hoeven zien. Ze was weggevaagd door pijn, door overwoekering van infiltratie, intimidatie, ze was er niet meer voor hem en had haar rug afgewend en was verdwenen. Zo is liefde ook, als je haar niet meer verwelkomt, dan gaat ze weg. En als je haar tegenwerkt, dan vlucht zij ver bij je vandaan en kun je alleen nog het kwade tegemoet treden zoals het kwade jou tegemoet treedt. Op zich maakt het de liefde of het kwaad, het goede of haat, niets uit welke keuze je maakt, ze vertegenwoordigen geen politieke belangen, geen zakelijk belang, geen algemeen belang en als liefde of het kwaad dat al zou doen, dan zouden zij partijdig zijn, zakelijk zijn, algemeen zijn. Soms moet kwaad liefde zijn om kwaad te veroorzaken en liefde kwaad om liefde te veroorzaken. De Duivel die aardig is – de Engel die brutaal is, maar ze blijven de Duivel en de Engel. Soms zijn ze met de meest simpele woorden in simpele zinnen met een kleine woordenschat te beschrijven en laten niet van zich horen met het meest barokke AI-taalmodel, dan weer hoor je de liefde in een zwiep en zie je haar in een flits, een flits van het verleden, van pijn, van eenzaamheid of gebondenheid. Als liefde zich openbaart in eenzaamheid, dan heet ze vrijheid.
(...)
De oorlog hangt overal: in straten, aan galgen, op brandstapels, in kelders en kluizen, in het metrostelsel, onder de grachten, in de huizen, bij de apotheek en de huisartsenpost. Iedereen voelt het, iedereen wil meedoen, meespelen, anders denkt men dat men iets mist, dus ook al is er voor niemand oorlog, dan zoekt men er wel een. Om toch ook met de oorlog bezig te zijn, selecteren ze zorgvuldig hun vijand: de patiënt, de buurman, de tuinman, de bankman, als deze voor hen maar lager staat; die is makkelijker te pakken: treiteren, traineren, je gal over spuwen. Ten slotte word je zelf ook getreiterd en getraineerd. Dat alles houdt het mooi in evenwicht, althans in het evenwicht voor de oorlog, en die kan ieder moment uitbarsten, losbreken. Misschien duurt het maar enkele dagen voordat het begint, dus je moet voorbereid zijn, je moet getraind hebben, getreiterd en getraineerd; je bent gewoon aan het oefenen: je oefent en traint jezelf een oorlog. Pak je drone, ga op je balkon staan, laat hem over de buurt vliegen het raam van je vijand binnen, waar hij in de slaapkamer explodeert – een paar, met armen en benen verstrengeld, bebloed. Dit was het laatste beeld dat je hebt. Het is voor altijd vastgelegd. De kraai krast driemaal.
(...)
